FORUM
Recente blogs
Archief
Meest gelezen blogs
Tags
Zoekfilters
Auteur
Artikel
Trefwoord
02.09.2021Wouter Veraart

KLASSIEKERS DEMOCRATISCHE RECHTSSTAAT #21: de toekomst en het verleden


‘De rechtsstaat is geen rustig bezit, geen huis waarin we onbezorgd kunnen gaan slapen’, zei Willem Witteveen, zeven jaar geleden, als PvdA-senator in de Eerste Kamer. Dat inzicht wordt vandaag vrij algemeen gedeeld. Nederlanders zijn min of meer ‘gewend’ geraakt aan de populariteit van politieke partijen die de rechtsstaat naar het leven staan, partijen die in hun verkiezingsprogramma’s openlijk discrimineren en zich structureel laatdunkend uitlaten over de rechterlijke macht. Bovendien vinden in Nederland en daarbuiten met een zekere regelmaat schokkende gebeurtenissen plaats die het vertrouwen in de stabiliteit van de rechtsstaat ernstig ondermijnen. Zo heeft iedereen kunnen zien hoe in de Verenigde Staten begin dit jaar een woedende, kwaadwillende menigte het Capitool bestormde. En nog deze zomer werd in een drukke straat in het centrum van Amsterdam de misdaadjournalist Peter R. de Vries neergeschoten, hoogstwaarschijnlijk vanwege zijn professionele betrokkenheid bij een lopende strafzaak.

Voor wie door de bril van het heden naar de Nederlandse rechtsstaat kijkt, zal er reden tot bezorgdheid zijn. Toch wil ik in deze bijdrage de bril van het heden afzetten en inruilen voor twee andere brillen: die van het verleden en die van de toekomst. Mijn stelling is dat het behoud van de rechtsstaat op de langere termijn slechts mogelijk is als zijn verdedigers bereid zijn verder te kijken dan de actualiteit. Zij moeten zich ook openstellen voor de wijze waarop de rechtsstaat betekenis geeft aan de wijze waarop wij omgaan met de erfenis van het verleden én met de wissels die wij trekken op de toekomst. In dat kader wil ik aandacht vragen voor twee 21ste-eeuwse rechtsstaat-klassiekers: de Rawagedeh-uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2011 en de Urgenda-uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019.

Recht doen aan het verleden: de Rawagedeh-uitspraak
Er zit een geografische dimensie aan de rechtsstaat. De ideeën van vrijheid en gelijkheid die aan de basis liggen van de democratische rechtsstaat, zijn in de achttiende eeuw, de tijd van de verlichting, tot wasdom gekomen. Dat was het tijdperk waarin de ‘universele’ idealen van vrijheid en gelijkheid die in landen als Frankrijk en Nederland door burgers werden opgeëist, meestal niet werden toebedacht aan de inwoners van de uitgestrekte koloniën buiten Europa, de witte bovenlaag uitgezonderd. Terwijl in Europa grondrechten in moderne constituties werden opgenomen, bleef in de koloniën de slavernij aanvankelijk nog voortbestaan en kreeg het denken op basis van huidskleur en ras een wetenschappelijke onderbouwing.

Het is opvallend dat de Haïtiaanse Revolutie (1791-1804) die begon als een slavenopstand in de Franse kolonie Saint-Domingue en tot de eerste door slaafgemaakten zelf bevochten vrije republiek zou leiden, bij nog veel mensen onbekend is. In de constitutie die in 1801 door de leider van de revolutie, Toussaint Louverture, werd geproclameerd, wordt op het grondgebied van Saint-Dominque slavernij voor altijd afgeschaft; ieder mens leeft en sterft er ‘in vrijheid’, stelt het derde artikel. In artikel 4 staat dat elk mens, ongeacht huidskleur (‘quelle que soit sa couleur’), elke functie of positie kan bekleden. Artikel 5 verklaart dat het maken van onderscheid slechts op basis van deugd, talent of een vergelijkbare grond is toegestaan en vult aan: ‘De wet is straffend of beschermend gelijk voor allen.’ Ik ken geen ander juridisch document uit de tijd van de verlichting dat zo dicht in de buurt komt van de portee van het huidige eerste artikel van de Nederlandse Grondwet.

Ondanks de succesvolle revolutie in Haïti – waarvoor een buitengewoon hoge prijs betaald zou moeten worden –, zal de geografische, vaak raciaal bepaalde rechtsongelijkheid echter tot in de huidige tijd voortduren. Nederlands huidige worsteling met het eigen koloniale verleden adresseert deze ongelijkheid. Een van de vragen die daarbij speelt is hoe men in rechtsstatelijk opzicht met deze erfenis moet omgaan. In juridisch opzicht zijn er ogenschijnlijk weinig handvatten om nog iets van het aangerichte onrecht te herstellen. Toch kan een postume erkenning van de rechtssubjectiviteit van diegenen die door het juridische instituut van slavernij in de voormalige koloniën tot diep in de negentiende eeuw werden mishandeld, voor een immateriële vorm van genoegdoening voor slachtoffers en nabestaanden zorgen. Op die wijze haal je de slaafgemaakten postuum ‘terug’ in de rechtsstaat. De excuses die burgemeester Femke Halsema op 1 juli 2021 aanbood voor het aandeel van de stad Amsterdam in het ‘commerciële systeem van koloniale slavernij’, kunnen op een dergelijke manier worden gelezen en begrepen.

Ook de Rawagedeh-uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2011 vervult een dergelijke functie. In deze zaak achtte de rechter de Nederlandse staat aansprakelijk voor een oorlogsmisdrijf dat Nederlandse militairen op 9 december 1947 begingen in het dorp Rawagedeh in West-Java, ten tijde van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, alwaar zij het grootste deel van de mannelijke bevolking executeerden. Gezien de ernst van de feiten die al in 1948 door een VN-commissie als ‘deliberate and ruthless’ waren aangemerkt, zag de rechtbank Den Haag aanleiding om de verjaringsregels te doorbreken en de claims van enkele weduwen van de vermoorde mannen toch in behandeling te nemen. Dat leidde vervolgens tot het oordeel dat de Nederlandse staat aansprakelijk was jegens de weduwen en tot een toekenning van een schadevergoeding van 20.000 euro per persoon.

Het bijzondere van deze uitspraak is dat de rechtbank daarin een luik opent dat gewoonlijk gesloten blijft. Met doorbreking van de verjaringsregels verleent de rechtbank alsnog toegang tot het Nederlandse rechtssysteem aan voormalig onderdanen van een Nederlandse kolonie die nooit als volwaardige rechtssubjecten zijn behandeld. Het is die verlate erkenning van diegenen die normaal gesproken binnen de Nederlandse rechtsstaat ongehoord blijven die deze uitspraak tot een klassieker maakt.

Recht doen aan de toekomst: de Urgenda-uitspraak
Wie zijn ogen sluit voor het onrecht dat in het verre of recente verleden heeft plaatsgevonden en waarvan de gevolgen nog altijd doorwerken of zichtbaar zijn, brengt schade toe aan het ideaal van rechtsgelijkheid waarop de rechtsstaat is gebaseerd. Precies hetzelfde geldt echter voor de dreiging van toekomstige catastrofes. De rechtsstaat beoogt een stabiel kader voor menselijke interacties aan te bieden, waarbinnen burgers zoveel mogelijk in vrijheid en gelijkwaardigheid gestalte kunnen geven aan een gemeenschappelijke toekomst. De stabiliteit van de rechtsstaat berust echter op de premisse van een ecologisch en klimatologisch evenwichtige leefomgeving. Helaas is dat ecologische en klimatologische evenwicht door menselijk toedoen in de afgelopen honderdvijftig jaar steeds ernstiger verstoord geraakt. De natuurlijke catastrofes die de mensheid als gevolg daarvan momenteel bedreigen, hebben directe implicaties voor de stabiliteit van de rechtsstaat in de decennia die komen gaan.

De Urgenda-uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 en de uitspraken van lagere rechters die daaraan vooraf gingen, markeren een keerpunt in het denken over de rechtsstaat. Voor het eerst verwijst de Nederlandse rechter naar de ontwrichtende gevolgen van een verdere gemiddelde globale temperatuurstijging voor de levensprojecten van met name jongeren, ook in Nederland. De premisse van een ecologisch en klimatologisch evenwichtige leefomgeving voor de stabiliteit van de rechtsstaat op de middellange termijn – een premisse die zo lang verborgen en onbesproken kon blijven – is daarmee expliciet gemaakt. Na de Urgenda-uitspraak is er, kortom, iets wezenlijks veranderd in de wijze waarop over de rechtsstaat kan worden gesproken en gedacht.

Je kunt je afvragen of de juridische constructie die de rechters hebben gekozen om in de Urgenda-zaak aansprakelijkheid van de Nederlandse staat te construeren – via de mensenrechten van het EVRM – wel helemaal adequaat is. Dat het juridisch instrumentarium te kort schiet om de schade die door menselijk handelen reeds is toegebracht aan de ecologische systemen die de planeet ook voor de mens levensvatbaar maken rechtstreeks te kwalificeren, is wel duidelijk. Een misdaad als ‘ecocide’ is bijvoorbeeld nog steeds niet erkend. Een belemmerende factor voor het vinden van juridische antwoorden in het kader van de penibele klimatologische en ecologische omstandigheden is de Kantiaanse, eenzijdig op de mens gerichte, wijze waarop de bestaande rechtssystemen, nationaal, Europees en internationaal, in elkaar zitten en functioneren. Willen we werkelijk recht doen aan de toekomst – en de rechtsstaat in de nabije toekomst in gezamenlijkheid overeind houden – dan is het nodig om het bestaande recht te transformeren en voortaan ook ruimte te geven aan de ‘claims’ van al het niet menselijke planetaire leven en zelfs aan de natuurlijke elementen waarop het aardse leven berust.    
OVER DE AUTEUR
REAGEER

www.nederlandrechtsstaat.nl wordt ondersteund door Tilburg University, het Vfonds en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties