FORUM
Recente blogs
Archief
Meest gelezen blogs
Tags
Zoekfilters
Auteur
Artikel
Trefwoord
15.02.2021Mirjam van Schaik

Verkiezingsblog #7: Van bijzonder onderwijs tot gezichtssluiers. Religie in de verkiezingsprogramma’s.


Op 17 maart 2021 vinden de Tweede Kamerverkiezingen plaats. Om nu te spreken in termen van ‘het losbarsten van de verkiezingsstrijd’ gaat wat ver, maar de lijsttrekkers zijn gekozen en de partijprogramma’s zijn samengesteld. Speerpunten uit de programma’s zoals de (niet-onverwachte aankomende) economische crisis, het klimaat en corona zijn veelvuldig in het nieuws. Ook is er veel aandacht geweest voor diversiteit. Het thema godsdienst- en levensovertuigingsvrijheid had daarom wellicht een wat ondergeschoven kindje kunnen worden, maar niets is minder waar. In verschillende partijprogramma’s worden diverse onderwerpen besproken die gelieerd zijn aan dit thema. Ik onderzoek een aantal van de belangrijkste aan vrijheid van godsdienst en levensovertuiging gerelateerde standpunten van de partijen.
 
Religieus huwelijk
In meerdere partijprogramma’s komt het thema huwelijksdwang en huwelijkse gevangenschap in religieuze gemeenschappen voor. In hoeverre in dergelijke situaties overheidsoptreden wordt voorgesteld is verschillend. Zo wil D66 optreden tegen religieuze praktijken die de vrijheid van vrouwen ernstig beperken en extra bescherming bieden aan personen die om culturele en religieuze redenen willen breken met de familie. Eenzelfde gedachte is te zien bij de SGP, en ook SP en GroenLinks bespreken dergelijke situaties in termen van “aanpakken”. Hoe dat er vervolgens uitziet, blijft echter onduidelijk. FVD en de VVD lijken de daad bij het woord te voegen en stellen expliciete maatregelen voor om dergelijke situaties tegen te gaan.
 
Thans is het in Nederland een geestelijk bedienaar wettelijk niet toegestaan om een religieus huwelijk te sluiten voordat een burgerlijk huwelijk wordt voltrokken door een ambtenaar van de burgerlijke stand. Sterker nog, overtreders kunnen daarvoor een strafrechtelijke boete opgelegd krijgen. De VVD wenst deze strafbaarstelling uit te breiden tot stellen die vrijwillig een dergelijk religieus huwelijk willen aangaan (én hun getuigen). De notie van ‘vrijwillig’ is hier van belang, aangezien de ratio van de wet juist gelegen is in het waarborgen van het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw – waarbij ze dus wordt beschermd tegen huwelijksdwang. De vraag is in hoeverre de VVD hierin doorslaat in de zin dat nu ook vrouwen ‘beschermd’ worden die geen bescherming behoeven; een voor een liberale partij nogal paternalistisch standpunt. Maar vanuit de overweging dat rechtspluralisme moet worden tegengegaan is een dergelijk voorstel invoelbaar; de vrees is immers dat er parallelle rechtssystemen ontstaan (én reeds zijn) waarin religieus recht suprematie heeft over het Nederlandse recht.
 
Dat de VVD voor een dergelijke wetsuitbreiding opteert, wekt overigens geen verbazing, aangezien dit een voortzetting is van het in 2018 ingediende wetsvoorstel door (inmiddels demissionair) minister Dekker (VVD). Het wetsvoorstel kon destijds rekenen op een breed draagvlak (VVD, CDA, D66, GroenLinks, SP, PvdA, ChristenUnie en PVV) en ligt nu bij de Eerste Kamer ter behandeling. Interessant is overigens dat Kathalijne Buitenweg van oppositiepartij GroenLinks en Shririn Musa van de vrouwenrechtenorganisatie Femmes for Feedom een aanjagende rol hebben gehad in deze kwestie.
 

Bijzonder onderwijs
Een belangrijk punt waaraan veel aandacht wordt besteed in de partijprogramma’s is de onderwijsvrijheid, die sinds 1917 in artikel 23 van de grondwet is verankerd. Het idee was dat met de introductie van deze bepaling het bijzonder algemeen vormend onderwijs financieel gelijkgesteld werd met het openbaar onderwijs, ook wel de onderwijspacificatie genoemd. Met name wat dit aangaat is het verschil in standpunten tussen de confessionele en niet-confessionele partijen het meest zichtbaar. En dit grondrecht wordt al jaren ter discussie gesteld.
 
VVD, SP, PvdA, D66 en GroenLinks willen artikel 23 Grondwet aanpassen. De partijen bieden hiervoor verschillende argumenten, maar de kerngedachte daarvan is dat scholen leerlingen niet mogen weigeren op basis van de geloofs- of levensovertuiging, omdat dit strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. D66 spreekt in dit verband zelfs van een acceptatieplicht. SP en GroenLinks voegen daar terecht aan toe dat de geloofsovertuiging ook geen reden voor een school mag zijn om een docent niet aan te nemen.
 
Vanuit confessionele hoek wordt er, niet geheel onverwachts, bepleit dat de ruimte voor bijzondere scholen moet worden behouden om onderwijs op grondslag van godsdienst of levensovertuiging zelf invulling te geven. Het CDA lijkt in deze kwestie de gematigdste opvatting te hebben, omdat aangegeven wordt “streng” te willen optreden tegen scholen die in het onderwijs “onverdraagzaamheid, antidemocratische ideeën of een afkeer van de Nederlandse samenleving” overbrengen. Dit in tegenstelling tot de ChristenUnie, die bepleit dat de stichtings- en opheffingsnormen verlaagd moeten worden, zodat er ruimte ontstaat voor scholen met een “sterke identiteit”. Ook de SGP bezigt een dergelijke opvatting en benadrukt dat er bij het toelaten van leerlingen en het aannemen van personeel eisen gesteld mogen blijven worden “om recht te doen aan de identiteit van de school”. Dat dit mogelijk tot discriminatie op basis van seksuele geaardheid en van andersgelovigen leidt nemen de SGP en ChristenUnie daarmee dus voor lief. Ook wordt door beide partijen een kleinere rol voor de onderwijsinspectie bepleit. Denk stelt pal te staan voor onderwijsvrijheid en wil daarmee “hetze tegen islamitische scholen” tegengaan.
 
De PVV neemt een dubbelzinnig standpunt in: artikel 23 Grondwet moet weliswaar worden behouden, maar voor islamitisch onderwijs is er geen plaats. Dergelijk standpunt past overigens prima in het anti-islamgedachtegoed dat gepredikt wordt in het PVV-programma, maar daarover zo meer. FVD bepleit het behoud van bijzonder onderwijs, maar benadrukt dat islamitische scholen wel de “fundamentele (JoodsChristelijke) waarden” dienen te onderschrijven, zoals gepresenteerd in een “Wet Bescherming Nederlandse Waarden”.
 
Het moge duidelijk zijn dat de vrijheid van onderwijs een groot goed is en dat er de laatste jaren diverse misstanden naar buiten zijn gekomen op scholen, waarin deze vrijheid werd aangewend om fundamentele rechtstatelijke waarden te ondermijnen. Illustratief is het recente voorbeeld waarin ouders gevraagd werd om een verklaring te ondertekenen waarin homoseksualiteit werd afgewezen. De vraag is echter of de aanpassing van artikel 23 Grondwet noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken. Bestaande wetgeving die discriminatoir, anti-integratief, antidemocratisch of anti-rechtsstatelijk gedachtegoed op scholen tegengaat, biedt immers nu al de mogelijkheid om op te treden wanneer dergelijke vrijheden en waarden in het geding zijn. Daarnaast is in de afgelopen jaren voorgesteld om de zogenaamde burgerschapsopdracht voor scholen aan te scherpen: de basiswaarden van de democratische rechtsstaat dienen onderwezen te worden en extra voorwaarden zijn opgesteld om nieuwe scholen te mogen stichten. Dit wetsvoorstel is recent door de Eerste Kamer besproken en gewacht wordt op de memorie van antwoord.
 

Financiering van religieuze organisaties
In Nederland zijn religieuze instellingen zelf verantwoordelijk voor hun financiën. Al jarenlang wordt in Nederland discussie gevoerd over de omvang en de aard van buitenlandse financiering van religieuze instellingen en de mogelijke “ongewenste invloed” die daarmee gepaard zou kunnen gaan. In november 2020 verscheen hierover een  WODC-onderzoek. De aanleiding waren onthullingen van NRC en Nieuwsuur in 2018. Ook werd door de Tweede Kamer de Parlementaire ondervragingscommissie ongewenste beïnvloeding uit onvrije landen (POCOB) ingesteld, die ook onderzoek heeft gedaan naar buitenlandse financiering en ongewenste beïnvloeding. Dit laatste onderzoeksmiddel concentreerde zich vrijwel uitsluitend op islamitische instellingen.
 
De uitkomsten van de POCOB zijn vastgelegd in het rapport (On)zichtbare invloed en de conclusie is: “Wie betaalt, bepaalt”. Er is beïnvloeding uit onvrije staten door o.a. het oprichten, besturen en financieel steunen van moskeeën en aanverwante stichtingen, zoals moskeescholen. Ook vindt beïnvloeding plaats door het faciliteren van imams en predikers en wordt er voorzien in literatuur en lesmethodes waarmee de politiek-religieuze visie kan worden verkondigd.
 
Maar onder welke voorwaarden wordt een staat dan als“onvrij” begrepen, en welke staten zijn dat dan? Het duurt echter even voordat het antwoord op deze vraag gegeven wordt in het rapport. Het blijkt met name te gaan om staten waar het salafisme, een fundamentalistische stroming binnen de islam, wordt aangehangen. Aldaar worden immers “onze” kernwaarden zoals de vrijheden van meningsuiting, religie, vereniging en onderwijs niet onderschreven. Met een verwijzing naar het Freedom in the World report worden o.a. de conservatief islamitische golfstaten en Turkije genoemd.
 
Uit de verkiezingsprogramma’s blijkt duidelijk dat de beïnvloeding uit onvrije landen onwenselijk is en verschillende partijen pleiten voor een harde aanpak. Zo stellen o.a. de ChristenUnie, SP, CDA, FVD en VVD voor om financiering van o.a. stichtingen, verenigingen en religieuze organisaties door onvrije landen te verbieden. Het vervolgen van haatzaaien en een visumverbod voor haatpredikers die zich tegen de beginselen van de democratische rechtsstaat keren worden ook voorgesteld. Overbodige initiatieven, aangezien haatzaaien reeds strafbaar is gesteld in Nederland en visa ook nu niet worden verleend bij een bedreiging van de openbare orde.
   
Opmerkelijk is overigens het standpunt van de SGP. Die lijkt zich bij deze harde aanpak aan te sluiten, maar neemt het wat minder nauw met de term “onvrij”. De SGP stelt immers voor dat “buitenlandse financiering van moskeeën wordt verboden.” Dit zou betekenen dat moskeeën an sich geen financiering meer vanuit het buitenland zouden mogen ontvangen. Het is ironisch dat vanuit de gedachte om de beginselen van de democratische rechtsorde te beschermen gepleit wordt voor een uitholling van een van deze kernwaarden, te weten de godsdienstvrijheid.
 
We hoeven overigens niet te wachten tot een regeerakkoord om te zien wat de uitkomsten zijn van de voorgestelde initiatieven van de partijen. Vorige maand debatteerde de Tweede Kamer over het rapport (On)zichtbare invloed. Tot grote onvrede van de Kamer is het volgens het kabinet juridisch gezien niet mogelijk om tot een algemeen verbod op buitenlandse financiering te komen. Daarnaast kan volgens demissionair minister Koolmees het verbod eenvoudig omzeild worden en afgevraagd moet worden of met een dergelijk generiek verbod het doel niet voorbij geschoten wordt; religieuze organisaties die zich niet met dergelijk antirechtstatelijk gedachtegoed bezighouden zullen immers ook belast worden. Voorgesteld is om o.a. meer transparantie te verkrijgen in dergelijke financieringsstromen en het toezicht op bijvoorbeeld dit informele onderwijs te verbeteren. Ook wordt er een instrumentarium opgetuigd waarmee gemeenten kunnen optreden. Duidelijk is in ieder geval dat dit thema de partijen voorlopig nog zal bezighouden.
 
 
Gezichtsbedekkende kleding
Een ander punt dat in veel partijprogramma’s terugkomt is het thema gezichtsbedekkende kleding. Sinds 1 augustus 2019 mag er op basis van de wet Gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding, in de volksmond het boerkaverbod, geen gezichtsbedekkende kleding meer gedragen worden in het openbaar vervoer en in en rondom gebouwen van het onderwijs, de zorg en de overheid. Met deze wet is uitvoering gegeven aan afspraken in het Regeerakkoord “Bruggen slaan” van het kabinet-Rutte II.
 
De discussie over de mogelijke beperking van de godsdienstvrijheid in het belang van o.a. veiligheid en menselijke interactie is uitgebreid gevoerd en de meningen zijn tot op heden verdeeld. Deze verdeeldheid is ook terug te zien in de standpunten van de partijen. Zo stelt de VVD, net zoals FVD, een geheel verbod van gezichtsbedekkende kleding voor in de openbare ruimte. Dit voorstel wordt gedaan in het kader van het actief verdedigen van “vrije Nederlandse waarden”. Wat blijft er echter over van de godsdienstvrijheid wanneer dergelijke inperkende maatregelen zouden worden ingevoerd? Een soortgelijke leus, maar nu in het kader van “onvrijheid tegengaan”, wordt door de ChristenUnie gepresenteerd, maar zij bepleit geen verruiming of beperking van de huidige wet. Hetzelfde geldt voor de SGP. De leus lijkt daarmee betekenisloos.
 
Niet verrassend is het standpunt van D66: sinds de introductie van de wet heeft D66 bepleit dat het niet aan de staat is om te bepalen wat iemand om religieuze redenen draagt, ook niet in publieke ruimtes. Dit standpunt sluit aan bij het advies van de Raad van State, die destijds vond dat er geen noodzaak bestond om de godsdienstvrijheid te beperken. Het EHRM denkt hier overigens anders over. Denk stelt dat er sprake is van symboolwetgeving en pleit voor een intrekking van het verbod.
 
De andere kant van het spectrum is te zien bij de PVV. Die stelt namelijk voor om ook het dragen van hoofddoekjes in overheidsgebouwen te verbieden. Geert Wilders gaat in zijn populistisch conservatisme zelfs zo ver dat hij stelt “een visie” te hebben ontwikkeld om Nederland te “de-islamiseren”. Dit wil hij realiseren door o.a. de islam, welke volgens hem geen godsdienst maar een totalitaire ideologie is, te verbieden. Ook islamitische scholen, moskeeën en de koran zijn in Nederland niet meer welkom. Opmerkelijk is dat bij de SGP ook een anti-islamsentiment waarneembaar is. Zo heeft de SGP een alinea getiteld ‘Islam’ waarin voorgesteld wordt om o.a. de islamitische geloofsbelijdenis te beperken door de oproep tot het gebed dat middels geluidsversterking in steden te horen is niet langer toe te staan. Er wordt uiteraard niet gesproken over het gebeier van kerkklokken, dat in dezelfde categorie van geloofsbelijdenis valt.
 
Dat een dergelijk algeheel verbod in strijd is met de godsdienstvrijheid is evident; er kunnen slechts beperkingen worden gesteld aan de duur en het geluidsniveau (van zowel de oproep tot het gebed en het gebeier van de kerkklokken) door een gemeenteraad. Hoewel de standpunten van de SGP en de PVV gelijkenissen vertonen, hebben ze een andere motivatie: bij de PVV is dit geworteld in een principieel anti-islamsentiment, terwijl bij de SGP om principiële redenen privileges worden toegekend aan christenen.
 

Tot slot
Het is duidelijk dat er in het kader van de godsdienstvrijheid een aantal grote thema’s op de agenda staan. Er lijkt in ieder geval een eenduidige opvatting te bestaan over het tegengaan van de financiering van religieuze organisaties vanuit onvrije landen en het religieuze huwelijk. Dit geldt niet voor de standpunten over de gezichtsbedekkende kleding en het bijzonder onderwijs. Wellicht dat deze opvattingen tijdens de coalitievorming voor sommige partijen minder vaststaand blijken, maar concessies van confessionele partijen, zoals de SGP en ChristenUnie op dit laatste onderwerp liggen niet in de lijn der verwachting. Bij deze partijen wordt nog steeds veel ruimte geboden aan de uitoefening van het geloof – althans, de belijdenis van het christelijke geloof. Het waarborgen van de religieuze vrijheid van andersdenkenden, zoals die van moslims, lijkt hier echter minder relevant. De PVV sluit zich daar als enige niet-confessionele partij bij aan, uiteraard geheel conform verwachting.
VERWANTE GRONDWET ARTIKELEN
OVER DE AUTEUR
REAGEER

www.nederlandrechtsstaat.nl wordt ondersteund door Tilburg University, het Vfonds en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties