FORUM
Recente blogs
Archief
Meest gelezen blogs
Tags
Zoekfilters
Auteur
Artikel
Trefwoord
28.01.2019Tom Jan Meeus

Democratie, Eigendunk en Zelfbedrog (Willem Witteveenlezing 2018)


Dit is de tekst van de Willem Witteveenlezing, die op 18 december 2018 aan Tilburg University werd gehouden. Met die lezing wil Tilburg Law School Willem Witteveen, die als hoogleraar aan Tilburg Law School was verbonden, herinneren. 

1. Veranderend democratiebesef
Dit is een tijd van grote vragen. Grote vragen, die we jaren niet hoefden te stellen. Vragen over het liberalisme, het kapitalisme, de globalisering, de vrijhandel, de EU, en de migratie. Maar ook over de orde zoals we hem al decennia kennen: over de democratie.

Ons democratiebesef lijkt te zijn verschoven. Veel in onze cultuur wijst erop dat ons vermogen om voorbij het eigen gelijk te kijken afneemt: ons eigendunk is te groot geworden. De politiek ondervindt dit aan den lijve. Zodra politici anderen hun gelijk gunnen – wat onvermijdelijk is als je regeert – worden zij afgestraft: regeringspartijen verliezen bijna altijd bij de volgende verkiezingen.

In 2014 schreven Willem Witteveen en Maurice Adams in het Nederlands Juristenblad nog dat de politiek de publieke mening in een democratie natuurlijk ernstig moet nemen, maar dat dit niet hoort te leiden tot de “opportunistische overname van standpunten die in de samenleving leven”. Toch lijkt men dit in het openbare debat wel van politici te verlangen: dikwijls worden zij geconfronteerd met de klacht dat ‘de meerderheid’ of ‘het volk’ zou worden genegeerd.

Blijkbaar verwachten wij, burgers, dus iets anders van de democratie dan we van de democratie krijgen.

2. De stand van de democratie
Laat ik vooropstellen dat ik niet denk dat de Nederlandse democratie in gevaar is. Het debat over de stand van de democratie wordt doorgaans nogal streng en humorloos gevoerd, maar dat is helemaal niet nodig: zij die zeggen dat ons staatsbestel op instorten staat zijn allemaal kletsmajoors. De opkomst bij verkiezingen ligt in ons land hoog en regelmatig onderzoek naar het vertrouwen in parlement en regering toont – zeker naar internationale maatstaven – mooie resultaten.

Toch sluimert er kritiek. Recentelijk hield Tom van der Meer (hoogleraar politicologie aan de UvA en tevens lid van de Staatscommissie-Remkes) de Thorbeckelezing. Van der Meer was kritisch op de middenpartijen. Volgens hem depolitiseren de middenpartijen te veel: hun houding is te bestuurlijk en te weinig politiek, waardoor het de politiek ontbreekt aan een waardenstrijd en deze partijen terecht aanhang verliezen aan nieuwkomers die zich op de flanken nestelen. Bovendien sluiten de middenpartijen te vaak gedetailleerde, dichtgetimmerde regeerakkoorden waardoor het parlement buitenspel komt te staan. Het zou volgens Van der Meer dan ook beter zijn wanneer zij andere vormen van regeren zouden toelaten, zoals het vaststellen van regeerakkoorden op hoofdlijnen, en het vormen van minderheidskabinetten.

Daar zit zeker iets in. Maar voor mij staat niet vast dat het probleem van onze democratie wordt veroorzaakt door de middenpartijen. Zij vertonen weliswaar inwisselbaar gedrag, en miskennen het belang van herkenbare waardenstrijd, maar toch denk ik dat we in Nederland juist blij moeten zijn dat we middenpartijen hebben. Niet omdat deze middenpartijen gelijk zouden hebben, of inhoudelijk superieur zouden zijn, maar omdat zij door hun gedrag voorkomen dat wij hier afglijden tot de gepolariseerde nachtmerrie die de Amerikaanse democratie is geworden.

Als correspondent in de Verenigde Staten heb ik gezien hoe de hyperpolarisatie in de Verenigde Staten heeft geleid tot verlamming van het bestuur. Het tweepartijenstelsel daar, maar ook in het Verenigd Koninkrijk, beloont het uitvergroten van tegenstellingen: omdat er maar twee partijen zijn die strijden om de macht, staan die partijen ook lijnrecht tegenover elkaar. In de Verenigde Staten overwoekert deze polarisatie het democratisch besef, en komt de winnende partij niet aan besturen toe omdat zij daarin gedwarsboomd wordt door de andere partij.

In tegenstelling tot tweepartijenstelsels, zoals we die in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zien, of stelsels waarbij een regeringsleider wordt gekozen uit twee kandidaten, zoals in Frankrijk en Brazilië, is het stelsel van evenredige vertegenwoordiging een wonder van fijnzinnigheid. Het probleem van onze democratie is dan ook van een geheel andere aard dan de problemen in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Brazilië en Frankrijk, waar recente verkiezingen en referenda neerkwamen op dobbelen met de democratie.

3. Netflix, stemwijzer
Wat ik me juist afvraag is of we ons in Nederland nog genoeg bewust zijn van het democratisch bestel dat we hier hebben. Of kijken we misschien te veel Netflix? Ons idee van democratie wordt, vrees ik, eerder bepaald door House of Cards dan door debatten in de Tweede Kamer.

In de populaire cultuur neemt de belangstelling – soms denk ik: de impliciete waardering – voor de Amerikaanse democratie enorm toe, terwijl iedereen kan zien hoe slecht de Amerikaanse democratie functioneert. Zo imiteert de Nederlandse politiek het Amerikaanse presidentiële stelsel ook in zijn campagnes: alsof het in ons stelsel draait om de vraag welke partij of politicus de grootste wordt.

Het Nederlandse stelsel van evenredige vertegenwoordiging is echter precies het tegenovergestelde van het Amerikaanse tweepartijenstelsel. Niet ‘the winner takes it all’, maar alle zetels in de Tweede Kamer worden naar evenredigheid verdeeld over meerdere partijen. Een partij waarop 10 procent van de kiezers heeft gestemd, zal 15 van de 150 Kamerzetels bemachtigen, en een partij waarop 22 procent van de kiezers heeft gestemd, zal 33 zetels mogen vullen. Op deze manier wordt in de politiek aan zoveel mogelijk afzonderlijke geluiden een stem gegeven, niet alléén het meest gewaardeerde geluid – maar álle geluiden.

Het mooiste aspect van dit stelsel is dat het politici, als mechanisme, altijd dwingt rekening te houden met anderen. In plaats van alleen naar één meerderheid te luisteren, moet er in de Nederlandse politiek worden geluisterd naar alle – grotere en kleinere – minderheden. Omdat het in ons stelsel onwaarschijnlijk is dat één partij de absolute meerderheid kan krijgen, kan een partij alleen iets bereiken als zij zaken doet met andere partijen – oftewel: bereid is verbindingen te zoeken met andersdenkenden.

Helaas krijgen we niet alleen op Netflix een andere werkelijkheid voorgeschoteld. Allerlei verschijnselen doorkruisen dat. Een van de horreurs van deze tijd is de Stemwijzer. Elke burger kan op basis van zijn individuele opvattingen de partij van zijn keuze bepalen. Op het eerste gezicht lijkt dit vooral een handige ‘tool’ voor de zwevende kiezer. Maar wat doet het? Het creëert dat mensen op basis van hun individuele voorkeuren een relatie aangaan met één partij, veel minder met het stelsel waarin die partij opereert. Men stemt daardoor niet als democraat maar als belanghebbende, als consument. Alléén de individuele mening telt, ongeacht de mening van anderen, die sowieso minder waard is. Dit staat haaks op wat ons stelsel is.

4. Veranderend democratiebesef: gevolgen
Intussen vrees ik dat ons veranderende democratiebesef ook een andere invloed heeft: we zien dat antidemocratisch sentiment relatief gemakkelijk tot ons bestel wordt toegelaten. Zo hoef je geen democratische organisatie te hebben om aan verkiezingen mee te doen. De PVV wil bijvoorbeeld meer zeggenschap voor de burger, maar biedt diezelfde burger geen zeggenschap binnen de partij om mee te praten.

Ons stelsel laat daarmee ook partijen toe die voortdurend pretenderen te willen regeren, terwijl iedereen die wel eens in de organisatie van zo’n partij gekeken heeft weet dat zo’n partij dat helemaal niet kan. Zo’n politieke partij is een farce. Dit bleek ook toen de partijleider van de PVV vorig jaar enige tientallen afdelingen de kans gaf mee te doen aan de gemeenteraadsverkiezingen. De kandidaten die boven kwamen drijven waren allemaal imbecielen, zeiden ze in de PVV zelf.

Dan vraag ik me af of onze democratie geen baat zou hebben bij een paar minimumvoorwaarden waaraan politieke partijen moeten voldoen, willen zij aan de politiek deelnemen. Zo kan een partij in Duitsland niet aan democratische verkiezingen deelnemen, als die partij zelf niet aan minimale democratische standaarden voldoet.

Nu staat de PVV niet op zichzelf. Bijna alle nieuwe partijen, die de middenpartijen uitdagen, en het papieren vertrouwen in het stelsel hoog houden, hebben een dubbelhartige houding tegenover het bestel. Dat zij hun plek in de democratie opeisen is natuurlijk prima. Maar hun houding laat zich nog het best samenvatten als ‘my way or the highway’.

Zo beschreef The Post Online laatst dat het partijbestuur van het Forum voor Democratie besluiten neemt die door leden amper geamendeerd kunnen worden, en intussen de eigen bestuurders hoog op de kandidatenlijsten zet. Anders dan de naam van het Forum voor Democratie doet vermoeden kwalificeert de partij voor de eigen leden dus als forum voor minder democratie. Bij 50Plus verzandt dan weer vrijwel elk democratisch debat in ruzie, omdat mensen anderen hun inzichten en opvattingen misgunnen. En bij Denk en de Partij voor de Dieren doet zich het vreemde verschijnsel voor dat congressen geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvinden. "Partijdemocratie is een beetje een journalistending", zei Öztürk daarover vorig jaar in Trouw.

5. Veranderend democratiebesef: de rol van de liberale orde
Nu heeft dit veranderende democratiebesef ook een cultureel aspect. We leven in een tijdsgewricht waarin we de gevolgen van de liberale overwinning ervaren. De liberale overwinning bepaalt sinds de val van de Muur de huidige politieke, economische en culturele orde van het Westen: het kapitalisme, de globalisering, de vrijhandel, de migratie, de EU, de Navo. Deze periode kenmerkt zich door een relatief grote individuele vrijheid en openheid, maar ook door een doorgeslagen individualisering van de samenleving.

We zien in ons soort maatschappijen al langer een opwaardering van het eigenbelang boven het algemeen belang. Het mini-narcisme is overal. We zien het aan de selfie, de nadruk op de eigen identiteit, en de eigen generatie. Het vermogen zich in anderen te verplaatsen lijkt daarentegen niet toe te nemen.  Opkomen voor anderen – bijvoorbeeld: vluchtelingen – wordt structureel verdacht gemaakt en vluchtelingen zelf worden ontmenselijkt. In onze taal zijn zij geen mensen meer, maar testosteronbommen en onderdeel van een asieltsunami. Woorden die, ongeacht je standpunt over vluchtelingen, mensen op voorhand van hun humaniteit ontdoen. Zo verglijdt het begrip voor anderen, en groeit de angst voor anderen.

De liberale overwinning kenmerkt zich daarnaast óók van relatief grote invloed voor het internationale bedrijfsleven. De discussie over de dividendmaatregel illustreert dit. Bedrijven die honderden miljoenen van regeringen eisen om zich in hun land te vestigen, en onze premier behandelen alsof het hun knecht is.

Een ander aspect is een toename van het monopolisme. Grote bedrijven domineren markten omdat ze zoveel geld hebben dat ze concurrenten en innovatieve nieuwkomers pijnloos kunnen opkopen. YouTube is door Google gekocht. Whatsapp en Instagram door Facebook. Een belangrijk gevolg is dat bedrijven met beschermde markten amper nog investeren in personeel. Daardoor zien we in het hele Westen al jaren een ontluisterend beeld: economieën groeien, winsten stijgen, maar modale inkomens stijgen nauwelijks, en het aantal vaste banen krimpt in de meeste westerse economieën.

De liberale overwinning komt daarmee neer op de toegenomen invloed van bedrijven ten opzichte van politici én werknemers. De gevolgen hiervan worden stelselmatig onderschat. Eind 2015, een jaar voor de verkiezing van Trump, vestigde de hoofdredacteur van Talking Points Memo, een progressieve Amerikaanse website, de aandacht op een recent onderzoek, en schreef: You can’t understand American politics without reading this study.

Een Harvard-studie liet zien dat de sterftecijfers onder witte laagopgeleiden van middelbare leeftijd spectaculair stijgen als gevolg van drugs- en alcoholgebruik en zelfmoord, terwijl de levensverwachting van andere groepen blijft groeien. De sterftecijfers doen denken aan de aantallen die je ook zag in het begin van de Aids-epidemie. De hoofdredacteur van Talking Points Memo wees er in vervolgstukken op dat de wanhoop en het verlangen naar een omwenteling onder laagopgeleide, witte mensen in de Verenigde Staten enorm moest zijn - en dat in een van de meeste liberale economieën ter wereld!

Zo bezien produceerde het liberalisme Trump, en is het logisch dat mensen in ons soort maatschappijen minder empathie hebben voor de ander, hun redelijkheid verliezen en uit eigenbelang een dikke vinger opsteken naar het algemeen belang en een nieuwe eigendunk opvoert.

Ook de liberale overwinning verklaart het veranderende democratiebesef: als de liberale orde een democratie ophemelt die teleurstelling, angst, wanhoop en een vroege dood bij burgers teweegbrengt, zal het verlangen groeien om die orde, en dus ook die democratie, omver te werpen.

6. Veranderend democratiebesef: technologie
De grootste liberalisering van onze tijd komt toch wel neer op de opkomst van internet als de elementaire infrastructuur van ons privéleven. We doen er alles mee: winkelen, spelen, socializen, studeren, publiceren, noem het maar op. De eerste jaren bestond er vooral euforie. Het internet bracht meer vrijheid, meer openheid, maar intussen kennen we de nadelen, waarvan sociale media de voornaamste veroorzaker zijn. Sociale media hebben ons verslaafd gemaakt aan beloningen: aan likes, nieuwe vrienden, retweets.

Maar gebruikers ervaren in toenemende mate de harde overgang van beloning naar afstraffing. Eén onhandig woord of vergissing, iemand die je woorden verkeerd samenvat of je woorden ridiculiseert, en bam: je bent onbedoeld onderwerp van ophef. Je dacht greep op het online beeld van je leven te hebben en ineens neemt een leger van kwaadwillenden het over. Je blijkt, zoals iedereen, toch in zo’n Hollands hokje te passen, zodat anderen zich vrij voelen hun vooroordelen op jou en je omgeving los te laten. Racist, elite, supremacist, gutmensch.

Dit is het dagelijkse bedrog van ons leven. Iedereen dacht dankzij sociale media een autonome eenling in de massa te zijn, maar blijkt, buiten zichzelf om, vervormd te zijn tot een type, behorend bij een bepaalde claque. Een claque die vijandschap, intimidatie en trollen verdient: de standaardstrijd die online zo normaal is.

Zo ongeveer verlopen de voorstadia van onze openbare gekrenktheid, die we onszelf aandoen. Het is de straf voor onze verslaafdheid. Het zou misschien verstandig zijn als we iets tegen het sociale-mediagebruik deden, maar dat voorstellen is politiek zo incorrect dat we voorlopig liever onze gekrenktheid opvoeren.

Daar komt nog iets bij: publiceren op sociale media betekent dat iedereen kan boetseren aan zijn eigen zelfbeeld. Behalve dat je hiermee je eigen identiteit kunt vormgeven, vergroot dit ook je inzicht in andermans manipulaties, en voedt zo wantrouwen. Bovendien heeft de informatieovervloed tot gevolg dat elke selectie bij voorbaat verdacht is. Dat ervaren traditionele media nu dagelijks – waarom zoveel aandacht voor Baudet, Klaver, gele huisjes, klimaatactivisten? Nog groter is de irritatie over ongewenste informatie op ons scherm – dat creëert onmacht omdat algoritmen niet beïnvloedbaar lijken.

Wat dus begon als platform van openheid en vrijheid, blijkt een leugen van big tech om ons leven in een mal te kunnen gieten – en ons daarna als dataset te verkopen. Wij genieten van alle vrijheid en openheid – maar zijn achter onze rug om een product geworden. De informatieoverdaad en manipulatievrees maken het misschien ook logisch dat mensen het belang van vrijheid en openheid gaan relativeren. Zelfs in een democratie.

7. Oplossingen: liberalisme, democratiebesef, technologie
De vraag is natuurlijk: wat doen we hieraan?

Frank de Grave, een levenslange VVD’er die afgelopen zomer afscheid nam van de politiek, vertrok in de zomer naar de Raad van State. Hij gaf een interview aan het AD en zei: hoogste tijd dat het bedrijfsleven, vooral het grootbedrijf, zijn maatschappelijke rol weer gaat zien. Iedereen ziet dat de lonen omhoog moeten, er meer vaste banen moeten komen, en het bedrijfsleven actief moet meewerken aan de energietransitie en verlaagde CO2-uitstoot. Maar ze doen het niet, en dit kan zo niet langer. De balans is zoek, en die balans moet terug.

The Economist, geen links babbelblad maar een tijdschrift dat bekend staat om zijn vertrouwen in liberalisme en in marktwerking, bepleitte enkele weken geleden een revolutie. Verwijzend naar het groeiende aantal bedrijfsmonopolies zei het blad: dit kan zo niet langer. Breek alle monopolies van staatswege op, zoals de Amerikaanse overheid dat begin vorige eeuw deed met de olie-industrie en de spoorwegen. Bepaal de nutsfunctie van bedrijven als Facebook (de vriendschappen en de uitwisselingsfuncties) en Google (de zoekfunctie) en zet die delen van deze bedrijven in nutsbedrijven. Zoals je water- stroombedrijven met een nutsfunctie hebt.

Tegelijk moet ook de Nederlandse politiek, zoals De Grave zei, proberen oude zekerheden te herstellen. De vaste baan, de betaalbare koopwoning, gezondheidszorg en studiebeurzen die niet worden bedreigd door marktlogica. Zo’n agenda samenstellen is niet moeilijk. Haar uitvoeren wel. Je ziet het aan Buma, die zich beijvert dat de stem van de gewone man wordt gehoord in de klimaatdiscussie, maar tegelijk mee onderhandelt aan een strakker klimaatbeleid. Die zich tegen het faillissement van ziekenhuizen keert, maar in het verleden zelf de wet steunde die marktpartijen greep op ziekenhuizen gaf.

Het diepere probleem is dat bijna alle ‘oude’ partijen, ook PvdA en GroenLinks, in het verleden hebben meegewerkt aan liberale beleidsoplossingen. En het grootste gevaar in mijn ogen is dat de klassieke rechtse partijen, VVD en CDA, ingewikkelde oplossingen gaan ontlopen en, met PVV en FvD, een cultureel-conservatieve politiek van vooral angst en anti-globalisering gaan voeren. Dat is echter precies wat Willem Witteveen afwees: uit opportunisme populaire standpunten uit de maatschappij overnemen.

Daarmee maken zij pessimisme in plaats van maatschappelijke verbetering de basis van hun politiek. In plaats van een middel tegen angst wordt de democratie dan een uitlaatklap voor angst, waarbij het democratiebesef verder onder druk komt te staan: angst gaat nu eenmaal zelden gepaard met tolerantie voor andere opvattingen.

Voor wat betreft onze democratie geloof ik dat bescherming van ons bestel voorop moet staan. Tegelijkertijd ben ik wel voorstander van sommige veranderingen, vooral ten aanzien van de Eerste Kamer. Ten eerste schaadt de discussie over functies naast het lidmaatschap van de Senaat, de geloofwaardigheid van de Haagse politiek enorm. Dat de Eerste Kamer niet inziet waarom belangenvermenging problematisch is, is voldoende reden om haar op te heffen. Daarnaast draagt de Eerste Kamer niet bij aan hogere kwaliteit wetgeving, maar laat zij haar beslissingen beïnvloeden door partijpolitiek en lijdt zij aan chronische zelfoverschatting. Ik citeer dan ook nog één keer Thorbecke, die al in 1848 tot het oordeel kwam dat de senaat een instituut “zonder grond en zonder doel” is.

Een ander probleem betreft het steeds dunnere verband tussen stemkeuze en bestuur. De moeizame totstandkoming van Rutte III spreekt in dit kader boekdelen. Zelfs partijen waarop relatief veel burgers stemmen zijn niet verzekerd van deelname aan de regering (PVV), terwijl partijen waar relatief weinig burgers hebben gestemd een parlementaire minderheid net aan een meerderheid helpen (CU). Vanuit het bestuur beredeneerd is ons grootste probleem de fragmentatie. Er zijn te veel partijen, en een te lage drempel om in de Kamer te komen. In Nederland bestaat echter een zekere weerstand tegen het invoeren van een kiesdrempel, omdat dat ondemocratisch zou zijn.

Toch is een kiesdrempel het overwegen waard. Vertrouwen in de democratie is mooi, maar als dat leidt tot verlaagd vertrouwen in bestuur, moeten we nog eens nadenken. Een kiesdrempel zou dwingen tot schaalvergroting en concentraties: fusies van partijen. Heel concreet zou dat betekenen dat er een fusie of structureel samenwerkingsverband moet komen tussen de SGP en de CU, tussen PvdD en GroenLinks of PvdA en GroenLinks, tussen VVD en FvD, of tussen PVV en FvD. Deze fusievorming is geen ramp maar tekenend voor onze democratie. In de Nederlandse politiek krijgt men meestal niet zijn zin, maar moet men inschikken. De opvattingen van anderen doen er namelijk óók toe, en niet alleen binnen de Kamer, maar ook binnen partijen. It’s not about you, it’s about us. Zo bezien zou minder democratie misschien zelfs goed kunnen zijn voor het democratiebesef.

De Staatscommissie-Remkes bracht recentelijk haar rapport uit met aanbevelingen ter versterking van het parlementair stelsel. Volgens haar is er sprake van een groot gat in ons bestel: er zijn te weinig laagopgeleiden in onze parlementen. De Commissie heeft slimme ideeën om dat gat te dichten. Een daarvan, die van de gekozen formateur, is echter bizar. Hiermee incorporeer je het manco van het tweepartijenstelsel alsnog in ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging.

Een ander voorstel is dat van een correctief bindend referendum. Ik heb nooit helemaal geweten, en weet nog steeds niet, of dat een goede oplossing zou zijn. Maar het beste argument voor het referendum vindt men in dit rapport: ons stelsel moet op enige plek het laatste woord aan de burger gunnen.

Mijn voornaamste voorstel zou evenwel zijn om in ons onderwijs bij te dragen aan het democratiebesef. We hebben al veel aandacht voor nationale identiteit en ik vind het best als kinderen het Wilhelmus leren of langs de Nachtwacht worden gestuurd, maar het zou verstandiger zijn om veel nadrukkelijker in beeld te brengen wat het idee van ons democratisch bestel is, en waarom dat op Netflix nooit aandacht krijgt.

Maar misschien moeten we de oplossing in een heel andere hoek zoeken. Laatst stond er een prachtig stuk op de Britse website Politics.co.uk dat ging over de vraag wat op dit moment de beste manier is om de politieke orde uit te dagen. Op zoek naar de tegencultuur van 2018 concludeert de auteur dat er één verschijnsel is dat al onze debatten stuurt: het algoritme. Het algoritme waarmee nieuwe media conflict en radicaliteit belonen, en saaiheid en beschaving afstraffen. Het algoritme dat schelden en beschuldigen op ons dagelijkse menu heeft gezet en dat al onze debatten plaatst in een context van oplopende escalatie en polarisatie. Deze algoritmedemocratie kan volgens de auteur maar op één manier uitgedaagd worden: door mildheid te omarmen als symbool van de nieuwe tegencultuur.

‘Fuck the system! Be nice.’

Dit betekent dat men niet meer mee moet doen aan het tweegevecht zonder midden, maar moet
accepteren dat goede debatten veelvormig zijn, met flanken, middenposities en nuances daarbinnen. Een debat dat, zoals ons parlementair stelsel beoogt, alle geluiden, en niet alleen de luidruchtigste laat horen. Het past bij ons bestel, waarin, zoals gezegd, politieke overwinningen alleen blijvend zijn als je ze met andersdenkenden boekt.

Ik sluit af met een vraag. Het conflictmodel van de grote tech-bedrijven is commercieel gedreven. Het consensusmodel, waar het kleine Nederland groot mee werd, is altijd maatschappelijk gedreven geweest. Uit het meeste onderzoek blijkt dat verreweg de meeste Nederlanders nog altijd redelijkheid boven conflict verkiezen, en oplossingen boven polarisatie. Als ik naar de huidige politiek kijk, en naar die data, denk ik: als mensen – jonge mensen - in staat zouden zijn de weerzin tegen de ‘algoritmedemocratie’ te organiseren, door de onzin van het conflictmodel bloot te leggen, kunnen ze de grootste politieke beweging van deze tijd bouwen. Ik ben geen politicus. Ik zal het ook nooit worden. Maar ik vraag me wel af: waarom gebeurt dit niet? Ik denk dat de groep die het waagt deze beweging te beginnen, overladen zou worden met complimenten en enthousiasme. Omdat die groep iets zou doen wat de politiek niet aandurft – maar waar bijna het hele land naar snakt.
 
OVER DE AUTEUR
REAGEER

www.nederlandrechtsstaat.nl wordt ondersteund door Tilburg University, het Vfonds en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties