FORUM
Recente blogs
Archief
Meest gelezen blogs
Tags
Zoekfilters
Auteur
Artikel
Trefwoord
10.07.2014Jeroen Kiewiet

De kiesdrempel: mag het een procentje meer zijn?

Er is doorgaans grote desinteresse onder de bevolking voor staatsrechtelijke vernieuwing. Dat is op zich begrijpelijk: de staatsrechtelijke organisatie van ons land is niet iets dat tot de verbeelding van de man op straat of de marktkoopman spreekt. Zelfs D66 laat zich niet meer op staatsrechtelijke vernieuwingen voorstaan, wat deze partij die deze vernieuwingen het hoogst in het vaandel had electoraal beschouwd bepaald geen windeieren legt. Toch zijn er tot mijn grote verrassing burgers die onlangs oproepen deden tot staatsrechtelijke vernieuwing, en wel vanuit het Nederlandse bedrijfsleven. Voormalig VNO-NCW-voorzitter en ondernemer Bernard Wientjes en autobandenhandelaar Bertus Reuver zetten zich in om een verhoogde kiesdrempel naar Duits model in Nederland in te voeren.
 
Wat beweegt deze ondernemers om op een hoge kiesdrempel in te zetten? De analyse van Wientjes en Reuver over de huidige politieke situatie loopt niet ver uiteen en de hoge kiesdrempel zou daar een einde aan kunnen maken. Beiden schetsen een donker beeld over de besluitvorming in de Nederlandse politiek. Wientjes zegt in een afscheidsinterview in De Volkskrant (21 juni 2014) waarin hij naast de verhoging van de kiesdrempel ook enkele andere hervormingsvoorstellen doet: ‘Nederland loopt politiek vast en de democratie is een rommeltje geworden.’ Reuver schrijft op zijn website kiesdrempelomhoog.nl: ‘De aflopen jaren in Den Haag werden gekenmerkt door weinig vooruitgang, legio compromissen en loze beloften.’ De oplossing volgens beiden: verhoging van de kiesdrempel naar Duits model, waar een 5%-kiesdrempel (Sperrklausel)bij verkiezingen van de Bondsdag is.
 
Het is opmerkelijk dat er Sehnsucht – verlangen – naar het Duitse model bestaat. Bij juristen en rechtswetenschappers is de jaloerse blik over de grens naar de hoge mate van ordening en systematiek in het Duitse recht te begrijpen, maar ook ondernemers hebben hun blik op het Duitse staatsrecht gericht. En hadden ze dat nú maar zorgvuldig gedaan – of zoals de Duitsers zeggen: ‘wenn schon, denn schon’. Als je het doet, moet je het ook goed doen en niet op de selectieve wijze van Wientjes en Reuver. In Duitsland is de 5%-kiesdrempel namelijk niet gemeengoed zoals zij doen voorkomen, maar hoogst omstreden. Traditioneel werd in Duitsland de hoge kiesdrempel met het argument gerechtvaardigd om radicale partijen, zoals je die in de Weimarrepubliek had, de toegang tot het parlement te ontzeggen. Door decennialange democratische stabiliteit in Duitsland speelt dit argument geen rol meer. Vervolgens is het ondemocratische karakter van de kiesdrempel in Duitsland steeds vaker bekritiseerd.
 
Op 9 november 2011 besloot het Duitse constitutionele gerechtshof (Bundesverfassungsgericht) dat de kiesdrempel van 5% bij de Europese Parlementsverkiezing ongrondwettig was. De betreffende bepaling uit de Duitse Europese verkiezingswet werd nietig verklaard, want een zwaarwegende inbreuk op de grondwettelijke bepalingen van de beginselen van het gelijke recht op verkiezingen en dus de gelijke waarde van stemmen (‘Wahlrechtsgleichheit‘) en gelijke kansen voor deelname aan verkiezingen van politieke partijen (‘Chancengleichheit der Parteien‘). Bij wet van 7 oktober 2013 werd echter opnieuw een kiesdrempel voor de Europese parlementsverkiezingen ingevoerd, nu van 3% (over dit overrulen door de wetgever: http://www.publiekrechtenpolitiek.nl/nietes-welles-nietes). De wet kwam daarmee in plaats van het oordeel van het Duitse constitutionele gerechtshof.
 
Op 26 februari oordeelde het constitutionele hof dat ook de kiesdrempel van 3% bij de Europese parlementsverkiezingen ongrondwettig is. Het constitutionele hof houdt aan de opvatting vast dat de zwaarwegende inbreuk op die beginselen niet gerechtvaardigd kan worden. Een rechtvaardiging zou het gebrekkig functioneren (‘Funktionsfähigkeit’) van het parlement kunnen zijn of dat er niet langer met meerderheden geregeerd zou kunnen worden. Voor het Europese Parlement is van die dreigingen absoluut geen sprake. Maar dreigt ‘onregeerbaarheid’ wèl als de 5%-kiesdrempel voor de Bondsdagverkiezingen wordt losgelaten? Waarschijnlijk niet – de kiesdrempel staat dus ook voor de Bondsdagverkiezingen ernstig op de tocht.
 
De vertegenwoordiging in het parlement van kiezers en gekozenen wordt door een hoge kiesdrempel stevig beperkt. In een interview in Handelsblatt Online (10 maart 2014) stelt de Duitse politicus Bernd Lucke dat bij de laatste Bondsdagverkiezing 15% van de kiezers niet in de Bondsdag vertegenwoordigd werd. Van de 34 partijen die zich kandidaat stelden, verkregen vijf partijen een plaats in de Bondsdag. Kleinere partijen worden volgens hoogleraar staatsrecht Christoph Degenhart, in hetzelfde interview aan het woord, buiten proportioneel benadeeld en hij wijst erop dat de vorming van grote coalities (bestaande uit SPD en CDU/CSU) bevorderd wordt. De momenteel regerende grote coalitie heeft 558 van 662 zetels. De oppositie in de Bondsdag tegenover die grote coalitie is daarom vrijwel te verwaarlozen. De grote coalitie heeft de mogelijkheid om de grondwet te wijzigen en Degenhart spreekt zijn angst uit dat de 5%-kiesdrempel in de grondwet wordt vastgelegd.
 
Kortom, de Duitse kiesdrempelidylle waar Wientjes en Reuver van dromen is in Duitsland zelf een hoogst controversieel thema. Mocht een hoge kiesdrempel in Nederland ooit worden ingevoerd, dan zal het in de woorden van Wientjes wellicht ‘geen rommeltje’ in de politiek meer zijn. Maar ziet hij uit naar een toekomst waarin slechts enkele partijen de politieke macht uitoefenen? In een democratie die op een vertegenwoordigend stelsel gebaseerd is, moeten kiezers zoveel mogelijk daadwerkelijk door de volksvertegenwoordiging vertegenwoordigd worden. Daarmee is een hoge kiesdrempel, zoals het Duitse constitutionele gerechtshof onbewimpeld stelt, niet te verenigen.
OVER DE AUTEUR
REACTIES
REAGEER

www.nederlandrechtsstaat.nl wordt ondersteund door Tilburg University, het Vfonds en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties